In de jaren tachtig werd er in onze familie behoorlijk wat over audio gepraat. Namen als LUXMAN, Kenwood, Bose, Cabasse en Chario passeerden met de regelmaat van een klok, en een paar nonkels van mij hadden effectief van die toestellen staan. Blinkend aluminium, zware knoppen en van die prachtige metertjes die meedeinden op de muziek. En het klonk daar toen ook al goed. Dat was nog voor ik mijn eerste eigen installatie kocht, en toch was dat beeld al een referentie voor mij. Tot vandaag heb ik een voorliefde voor toestellen met een aluminium look en vooral met van die meters. Dat staat voor mij niet alleen voor de jaren tachtig, maar vooral voor wat kwalitatieve high-end audio betekent.
Die voorliefde vind ik nog steeds terug bij heel wat Japanse merken. Accuphase en Yamaha ken ik relatief goed, door eigen gebruik en door presentaties op beurzen. LUXMAN niet. LUXMAN is bij mij altijd een bekende geweest qua naam, maar niet qua luisteren. Vreemd eigenlijk, want weinig merken hebben zo’n geschiedenis. Toen Jan Dhont van Walden High-End me uitnodigde om de gloednieuwe D-100 Centennial en L-100 Centennial te komen beluisteren, was ik dan ook meteen getriggerd. Wat heeft die andere legendarische Japanse firma eigenlijk te bieden?
Ik kom graag bij Walden, vooral omwille van Jans unieke keuze aan audioapparatuur, en telkens word ik toch een beetje verrast. Zie ook mijn eerdere reviews van de Tonapparate Model 55 en de Aurorasound-combinatie. Deze keer werd het meer dan een verrassing. Het werd een namiddag van drie à vier uur waarin we op een bepaald moment doorhadden dat we helemaal niet meer over de installatie aan het praten waren.
100 jaar LUXMAN : Een eeuw die begon bij een fotolijstenwinkel
LUXMAN bestaat in 2025 exact honderd jaar, en dat verhaal begint op een plek waar je het niet zou verwachten. In juni 1925 richtten T. Hayakawa en zijn broer K. Yoshikawa in Osaka de Lux Corporation op, als radioafdeling van de Kinsuido-fotolijstenwinkel. Al snel maakte Lux ook zelf onderdelen, met uitgangstransformatoren als specialiteit.
Het merk maakte trouwens al veel vroeger furore. In 1928 stond er al een LUX-735 met magnetische hoornluidspreker, in 1952 kwamen de befaamde OY-uitgangstransformatoren en in 1964 verscheen de SQ-38D in een houten kast met aluminium frontpaneel. Buizenbouw en referentietoestellen dateren bij LUXMAN dus van ruim vóór de jaren zeventig. Tussen 1984 en de jaren negentig liep er een samenwerking met Alpine Electronics, waarbij de aandacht deels naar de massamarkt verschoof, maar ook toen bleef LUXMAN in het topsegment aanwezig. In 2009 kwam het merk onder de vleugels van de International Audio Group, met een resolute koers: alleen nog kwaliteitsapparatuur.
De LUXMAN L-100 Centennial en D-100 Centennial
De L-100 Centennial draagt een naam die al bestond, want er was in de jaren zeventig al een L-100. Belangrijker is wat eronder zit: dit is opnieuw een pure klasse A-versterker. Jan legde uit dat LUXMAN na de demerger vooral weer bovenop is gekomen met puur klasse A, met de 590 en de 550 als boegbeelden. Dat hoofdstuk werd daarna gesloten, voor een groot stuk door wetgeving rond energieverbruik. Wat Jan enorm jammer vond. En hij bleek niet de enige. Voor het honderdjarige bestaan hebben ze het teruggehaald. De D-100 Centennial is dan weer de opvolger van de D-10X en is een CD-speler die ook gemakkelijk als DAC gebruikt kan worden.
Zwaar, zacht en onmiskenbaar Japans
De twee toestellen heb ik niet zelf uit een doos gehaald en geïnstalleerd. Ze stonden klaar en op temperatuur bij Walden, en dat is eigenlijk de eerlijkste manier om onze luistersessie te starten. Wat meteen opvalt, is hoe mooi ze als set naast elkaar opgesteld staan. Beide behuizingen zijn 440 millimeter breed, beide wegen exact 25,4 kilogram, en beide dragen hetzelfde glanzend verchroomde CENTENNIAL-plaatje op een geborsteld aluminium front. Dat dikke front voelt zacht aan, het uitzicht is wat industrieel maar onmiskenbaar luxueus. Je koopt hier kwaliteit, en dat zie en voel je in de presentatie zonder één muzieknummer beluisterd te hebben.
Bij de LUXMAN L-100 zijn de meters geel en van achteren verlicht, en dat is niet willekeurig gekozen: de AB-versterkers van LUXMAN zijn uitgevoerd met witte VU-meters, geel is voorbehouden voor puur klasse A. De volumeknop is een verhaal apart. Dat is echt een leuk gevoel als je eraan draait, en daar zit techniek achter: de nieuwe LECUA1000 regelt het volume in 88 stappen met weerstanden, elektronisch gestuurd. Bij de D-100 vraagt de lade de aandacht: je hebt een ‘dubbele afsluiting’, een verticale klep die opengaat en vervolgens komt de CD-lade naar voren. Kortom een extra afscherming tegen stof. Kleine details, maar het zijn net die afwerkingen die het uiterste uit een toestel halen en een prijs van twintigduizend euro rechtvaardigen.
Onder de motorkap zit bij de D-100 het LxDTM-i-loopwerk, opgebouwd rond een stalen bovenplaat van 5 millimeter en een aluminium bodemplaat van 8 millimeter. De digitale sectie draait op twee ROHM BD34302EKV-chips in dual mono, specifiek voor audio ontwikkeld en volgens LUXMAN de beste die ROHM maakt. De analoge uitgangstrap werkt met LIFES 1.1, hier voor het eerst toegepast in de CD-speler, en een voeding met condensatoren van 40.000 microfarad opgebouwd voor degelijke energieopslag rond een CI-kerntransformator. Achteraan liggen naast de RCA- en XLR-uitgangen twee optische ingangen, een coax en USB, die tot PCM 768 kHz en DSD 22,5 MHz gaat. Je kunt hem dus perfect als volwaardige DAC inzetten.
De LUXMAN L-100 geeft 2 x 20 watt aan 8 ohm en 2 x 40 watt aan 4 ohm, in een bipolaire eindtrap met drie parallelle push-pull-paren. De voeding is zwaar uitgevoerd: een op maat ontworpen EI-kerntransformator met acht filtercondensatoren van elk 10.000 microfarad. Het opgenomen vermogen bedraagt 260 watt, 210 watt zonder signaal, wat meteen zegt wat puur klasse A betekent. Verder een volwaardige phonotrap voor MM en MC, XLR- en RCA-ingangen en toonregeling die je met één druk op direct zet. Het is geen volledig symmetrisch ontwerp, en de dempingsfactor bedraagt 300.
Luistersessie : En plots ging het alleen nog over muziek
Voor de volledigheid beschrijf ik graag nog even de complete opstelling van onze luistersessie. Een Wattson Emerson-streamer ging via coax-SPDIF met een Tellurium Q Ultra Silver naar de D-100, tussen speler en versterker lag een Tellurium Q Black Diamond in RCA, en de luidsprekers hingen aan Audio Note Lexus, bi-wired, twee keer vijf meter. Voor vinyl stond er een Kuzma Stabi R met 4Point-arm en een ZYX R50 Bloom VX, rechtstreeks op de MC-ingang. Alles op direct, geen toonregeling. Alleen die kabelset staat al voor 4.500 euro, en met de draaitafel erbij luisterden we naar een geheel van ruim 60.000 euro. We begonnen op de Audio Note-luidsprekers en gingen later over op de Spendor Classic 3/1.
De luisterruimte is hier de relatief kleine en gezellige winkelruimte van Walden. Voor mij perfect representatief voor een gemiddelde huiskamer. Niet alles staat er perfect opgesteld. Maar wie heeft er thuis een perfecte luisterruimte? Niemand toch. Jan heeft een rustgevende ruimte gecreëerd waar je gezellig urenlang naar muziek kunt luisteren, en niet alleen naar een set.
Luisterindrukken
We begonnen de luistersessie met klassiek. Met Holst en zijn Mercurius en Jupiter op de Chesky-SACD klonk het braaf, met een wat ingehouden dynamiek. Helemaal niet agressief, en precies de rust die Jan zo graag opzoekt. Bij Vivaldi in de herwerking van Max Richter kwam er vooral een sprankelende hoogweergave erbij. Er was veel controle en detail en daarbij ga je snel luisteren naar finesses en nuances in de muziek. Hier vond ik vooral dat de contrabassen zich mooi neerzetten in het totale muziekbeeld. Samengevat : een fris hoog, een subtiel aanwezig laag en een natuurlijke klank waarin de muziek zich niet opdringt.
En toen ging Jazz at the Pawnshop op. Die plaat ken ik al jaren, maar dit was voor mij, en ook voor Jan, echt de eerste keer dat we een andere opname hoorden. Bij Limehouse Blues zijn de solo’s leuk, maar wat het écht leuk maakt, is dat je op de achtergrond hoort hoe de andere muzikanten inspelen op de solist. Niet alleen de sfeer is heerlijk, nu hoorde ik pas welke finesses die muzikanten in hun spel leggen. Je kruipt terug in dat lokaaltje in 1977, en de rinkelende kassa en het geroezemoes neem je er graag bij. Op Desert Blues 2 met Momo Wandel Soumah gebeurde hetzelfde: de installatie neemt je bij je kraag en trekt je subtiel in de muziek, met een opvallend mooie weergave van het karakter en de persoonlijkheid van stem en instrument.
Via de streamer bracht Bruce Liu gewoon rust en brede openheid, gaf Ásgeir een warme volle klank met veel detail dat nooit de aandacht wegtrekt, en klonk Dulce Pontes fluwelen, verfijnd en vooral zacht. Helemaal niet hard, terwijl ook de stillere passages duidelijk en gedetailleerd blijven. Het laag is mooi en krachtig, zelfs met die 20 watt. Op vinyl trok Arooj Aftab me letterlijk de muziek in, en dat bracht de verrassing van de dag: die MC-trap speelt op het niveau van de DAC. Voor een ingebouwde phonostage vind ik dat verbazingwekkend. Bij Sviatoslav Richter in Schuberts Molto moderato e cantabile vergat ik gewoon wat het doel van deze sessie was.
Op de Spendor Classic 3/1 is er wat minder resolutie, maar het geheel klinkt zeer gebalanceerd en muzikaal, met meer dynamiek dan op de Audio Note. Jacob Collier stond met Little Blue gewoon live voor ons, met een gitaar die mooi blendt met de kerkklank en het koor. Je hebt dus niet per se een luidspreker van meer dan tienduizend euro nodig om dit zo goed te laten klinken. De conclusie was telkens dezelfde: de LUXMAN neemt je bij de kraag en trekt je de muziek in.
Nog een woordje over die dempingsfactor van 300. Die zorgt voor een stevige greep op de luidspreker, en dat hoor je vooral terug in de controle en het strakke laag. Deze eigenschap maakt de keuze van je luidsprekers wel een bewuste oefening. En met de juiste combinatie speelt deze LUXMAN opstelling op een zeer hoog niveau. Muziekweergave blijft trouwens altijd een subjectieve zoektocht, en met met de juiste luidsprekers speelt deze set zelfs hemels.
Ook hebben we de luistertest via de RCA-uitgangen uitgevoerd, gewoon omdat dat praktisch werkte. Jan stelde nadien vast dat de gebalanceerde uitgang van de D-100 er nog een flink stuk beter uitkomt. Dat heb ik zelf niet meer kunnen beoordelen, maar bij een volledig gebalanceerd ontwerp loont die opstelling de moeite om uit te proberen. Het zal minstens even goed klinken.
Een set die je doet vergeten dat ze er staat
Mijn verrassendste inzicht van deze test is meteen het eenvoudigste. Muziek luisteren is pas echt leuk wanneer je de installatie niet meer hoort, of wanneer ze zo goed is dat je ze vergeet. Je luistert niet langer naar een set, je wordt de muziek in gezogen. Ik betrapte mezelf erop dat we meer over de muziek aan het praten waren dan over de apparatuur. En dat is exact wat deze LUXMAN-combinatie doet: muziek doen leven. Wat beide toestellen delen, is een focus op de essentie: muzikaliteit, natuurlijkheid, detail en degelijkheid. Die zogezegd lage wattage is bijzaak, want het geheel speelt meer dan luid genoeg.
De D-100 Centennial kost 20.000 euro, de L-100 Centennial 11.000 euro. Samen dus 31.000 euro, en dat is veel geld. Mijn enige echte minpunt is dan ook de prijs van de D-100. Maar je krijgt er enorm veel voor terug, want die speler overtuigt zowel met de zilveren schijf als in zijn rol van DAC, en dat is voor mij een investering tot het einde. Een blijvertje. Verder zijn het grote toestellen, dus meet je meubel even na. Had ik het budget, dan zou ik deze set onmiddellijk kopen. Daarna begint die leuke zoektocht naar de ideale combinatie, al zal dit geheel bij heel veel luidsprekers al een enorme vooruitgang en een zeer goede match zijn.
Dit is voor wie niet op zoek is naar spektakel maar naar muziek, wie de tijd neemt om te gaan zitten, en wie apparatuur wil die er over twintig jaar nog staat. Ga ze vooral zelf beluisteren bij Walden High-End in Tervuren, waar Jan Dhont je alle tijd en rust geeft die zo’n set verdient. LUXMAN wordt voor onze contreien ingevoerd door Audioscript uit Loosdrecht.
Na vier uur luisteren
Voordelen
- Een vloeiende, nooit agressieve weergave met bijzonder veel resolutie.
- Karakter en persoonlijkheid van stemmen en instrumenten worden uitzonderlijk goed neergezet.
- De ingebouwde MM/MC-phonotrap speelt verbazingwekkend genoeg op het niveau van de DAC.
- Een natuurlijk, krachtig en gecontroleerd laag, ondanks de opgegeven 2 x 20 watt.
- De D-100 overtuigt zowel als SACD- en cd-speler als volwaardige DAC.
- Dempingsfactor van 300 zorgt voor veel controle en rust.
- Bouwkwaliteit en afwerking die je vertrouwen geven voor de komende twintig jaar.
Nadelen
- De prijs van de D-100 blijft met 20.000 euro een stevige hap.
- Het zijn grote en zware toestellen die de nodige plaats vragen in je meubel.









































