Digitaal hoeft niet digitaal te klinken. Met die belofte oogstte de Aero, de buizen-DAC van het Amerikaanse Linear Tube Audio, de voorbije jaren lovende recensies. Nu nemen de Linear Tube Audio Aero+ en de Aero+ SE het stokje over. Ze houden vast aan het recept van een vintage R-2R-chip en ZOTL-buizen, maar krijgen twee extra digitale ingangen, een herwerkte DAC-interface en een stevig verbeterde voeding. De SE gaat nog een stap verder en zet zijn transformator in een aparte kast.
Linear Tube Audio uit Takoma Park (Maryland) bouwt al jaren buizenversterkers op basis van de ZOTL-technologie van ontwerper David Berning. Met de Aero bracht het merk die techniek voor het eerst naar een DAC. Het hart is de AD1865 van Analog Devices, een klassieke R-2R-ladderchip die zonder oversampling en zonder digitale filters werkt. Daarachter volgt een buizentrap in klasse A. In de originele Aero zaten standaard twee 12SN7-buizen, en met een schakelaar achteraan kon je ook 6SN7’s gebruiken.
Aan dat karakter wilde LTA niet raken. De Aero+ moet vooral de sterke punten uitdiepen: een natuurlijke klankkleur, een ruimtelijk beeld en een presentatie die dichter bij vinyl aanleunt.
Linear Tube Audio Aero+ met AES3 en I2S
Het meest zichtbare nieuws zit achteraan. Naast USB, coaxiaal en optisch heeft de Aero+ nu ook een AES3- en een I2S-ingang. Die laatste volgt de veelgebruikte pinbezetting van PS Audio. Precies het ontbreken van die twee ingangen was een van de weinige kritiekpunten op het origineel.
De digitale sectie draait voortaan op een ARM-processor in plaats van op losse ontvangerchips voor USB en S/PDIF. Volgens LTA levert dat een preciezere plaatsing en een betere kanaalscheiding op. Net als zijn voorganger draagt de Aero+ het label Roon Tested, zodat wie met Roon streamt meteen aan de slag kan.
Minder vervorming, zonder tegenkoppeling
Onder de motorkap draait alles om de herwerkte DAC-interface. Die genereert een vervormingsprofiel dat in tegenfase staat met dat van de single-ended buizentrap. Zo daalt de totale harmonische vervorming, terwijl de typische lage-orde harmonischen van de buis behouden blijven. En dat zonder tegenkoppeling, om faseverschuivingen te vermijden. Volgens LTA levert dat een stabieler stereobeeld, meer detail en een sneller, energieker karakter op. Ook de voeding kreeg een verbeterde power factor correction, voor een schonere stroomvoorziening van de digitale en analoge schakelingen.
Aero+ SE met aparte voeding
Wie het onderste uit de kan wil, kijkt naar de Aero+ SE. Die deelt chip, buizentrap en ingangen met de Aero+, maar verhuist een grote ringkerntransformator en een filterspoel van 15 mH naar een aparte behuizing. Een umbilicalkabel met XLR-connectoren verbindt beide kasten. Zo blijven de magnetische velden van transformator en spoel ver weg van de gevoelige schakelingen. Samen met een passief PFC-netwerk rond die spoel en geselecteerde componenten in het signaalpad moet dat volgens LTA zorgen voor een stillere achtergrond, een stabielere plaatsing en meer diepte.
Bestaande Aero-eigenaars hoeven hun toestel niet in te ruilen. LTA biedt upgrades aan naar Aero+ en Aero+ SE, met de herwerkte DAC-interface en de voedingsverbeteringen. De nieuwe AES3- en I2S-ingangen komen er bij een upgrade wel niet bij.
Prijs en beschikbaarheid
De Aero+ en Aero+ SE worden in december 2026 verwacht. LTA verkoopt rechtstreeks aan de klant. Een prijs in euro, ook voor de upgrades, is nog niet bekend bij de redactie. Wie interesse heeft, surft het best naar de Linear Tube Audio website.































